Tag: obligaties

Obligaties

Met een obligatie leent u geld aan de overheid of een onderneming. In ruil hiervoor ontvangt u rente in de vorm van een couponbetaling. Een obligatie is dus een schuldbewijs, uitgegeven door de overheid of een onderneming. Obligaties worden over het algemeen gezien als het defensieve gedeelte van een beleggingsportefeuille.

De nominale waarde van een obligatie is het bedrag dat de overheid of onderneming met de lening wil ophalen. Dit bedrag wordt in stukjes geknipt die bekend staan als coupures. Die kunt u op de beurs kopen, vaak in eenheden van EUR 1000 of een veelvoud daarvan. Als u een coupure heeft gekocht, krijgt u daar couponrente over. Vaak is dit een vaste rente, maar deze kan ook variabel zijn. Deze rente wordt altijd uitgekeerd op de coupondatum. Obligaties hebben een beurskoers die wordt uitgedrukt in een percentage van de nominale waarde. Als de koers exact gelijk is aan de nominale waarde is deze 100%, dit ook wel ‘a pari’ genoemd. De obligatie is onder pari als de beurskoers onder de 100%, en boven pari als deze boven de 100% noteert.

Naast de bekende bedrijfs- en staatsobligaties, zijn er op de beurs ook converteerbare obligaties, reverse convertibles, zero-coupon bonds en perpetuele obligaties te vinden. Dit zijn obligaties die een hoger risico met zich mee kunnen brengen. Wij adviseren u om niet in deze instrumenten te beleggen indien u de risico’s van deze instrumenten niet kunt begrijpen.

We kijken naar een bedrijfsobligatie die jaarlijks op 1 mei een couponrente uitkeert van 6% met een vervaldatum op 1 mei 2020. Deze obligatie kent op dit moment een beurskoers van 102%. U wilt een coupure van EUR 1000 van deze obligatie aankopen. Wat betaalt u voor deze aankoop, hoeveel rente wordt er jaarlijks op uw rekening bijgeschreven en wat is dan uw rendement?

1000 nominaal x 102% = 1020. U betaalt dus EUR 1020 om één coupure van 1000 nominaal aan te kopen. De couponrente krijgt u uitgekeerd over het nominale bedrag dat u in bezit heeft van de obligatie. U krijgt dus jaarlijks 1000 x 6% = 60 euro rente uitgekeerd.

Het couponrendement houdt rekening met de aankoopkoers van de obligatie en is 60/1020 = 5,88%. Als u ook rekening houdt met de resterende looptijd van de obligatie, spreken we over het effectief rendement. Dit zal iets lager liggen dan het couponrendement, aangezien de obligatie in 2020 wordt afgelost tegen EUR 1000. Omdat u de obligatie heeft gekocht voor EUR 1020, betekent dit een verlies van EUR 20 dat u in mindering moet brengen op de rente die u jaarlijks ontvangt tijdens de looptijd.

Als een overheid of onderneming een obligatie uitgeeft, zal de rente onder andere afhangen van de marktrente, de looptijd van de obligatie en de perceptie van de markt van de kredietwaardigheid van de overheid of onderneming. Hoe minder kredietwaardig de uitgevende instantie is, hoe hoger de rente. En hoe langer de looptijd van de lening is, hoe hoger de rente.

Als de obligatie eenmaal op de beurs wordt verhandeld, kunnen de marktrente en kredietwaardigheid ook de koersvorming sterk beïnvloeden. Zo kan de koers van een obligatie door veranderingen in de marktrente behoorlijk schommelen. Stijgt de marktrente, dan daalt de koers van de obligatie en andersom. Ook kan de obligatiekoers fluctueren op basis van een gewijzigde inschatting van de kredietwaardigheid van de uitgevende instantie. Tijdens de Eurocrisis daalden de koersen van staatsobligaties van landen als Griekenland, Spanje en Italië. Beleggers vreesden dat deze landen niet in staat waren om aan hun verplichtingen te voldoen.

Obligaties zijn geschikt voor beleggers die tevreden zijn met het vooraf bekende effectief rendement mits ze bereid zijn de obligatie tot het einde van de looptijd in portefeuille te houden. Het is vooral interessant voor wie op zoek is naar meer rendement op zijn spaargeld, maar de stap naar de aandelenmarkt niet durft te maken. Let wel; met obligaties loopt u een risico, net als bij elke vorm van beleggen. De uitgevende partij (bedrijf of overheid) kan namelijk in de problemen komen of zelfs failliet gaan. In dat geval zal uw investering minder waard worden, of zelfs zijn gehele waarde verliezen.

Een obligatie is dus een lening aan een bedrijf of een overheid in de vorm van een verhandelbaar financieel instrument. De houder van de obligatie leent geld uit en ontvangt in ruil een rentevergoeding.

Belangrijk om te weten:

  • De nominale waarde is het bedrag dat één obligatie vertegenwoordigt in de totale lening. Obligaties kunnen aan, boven of onder hun nominale waarde worden gekocht of verkocht.
  • De coupon is de vaste of variabele rente die wordt uitbetaald. Hij wordt berekend op basis van de nominale waarde.
  • Een obligatie heeft meestal een vaste looptijd. Op de eindvervaldag wordt de nominale waarde terugbetaald. De looptijd is afhankelijk van het type obligatie.
  • Een obligatie kan gedurende de looptijd worden verhandeld.

2. Soorten obligaties

Type voorbeelden van obligaties zijn bedrijfsobligaties, staatsobligaties, perpetuele obligaties en notes.

Obligaties hebben mogelijk volgende kenmerken:

  • Een achtergesteld obligatie wordt pas na andere schuldeisers terugbetaald, waardoor de kans toeneemt dat de houder niet (volledig) wordt terugbetaald. Dit risico wordt vergoed met een hogere coupon.
  • Bij een converteerbaar obligatie kan de houder kiezen tussen een terugbetaling in geld of in een vooraf bepaalde hoeveelheid aandelen. Bij reverse converteerbare obligaties ligt die keuze bij de uitgever.
  • Eeuwigdurende obligaties (perpetuals) hebben geen vooraf bepaalde eindvervaldag. De uitgever kan meestal beslissen tot vervroegde terugbetaling. Gedurende de looptijd ontvangt de houder de coupon.
  • Een gestructureerd product bestaat uit een samenvoeging van meerdere financiële instrumenten; vaak met als doel garanties of hefbomen in te bouwen. Bij een gestructureerd obligatie hangt de opbrengst en terugbetaling dus af van de ontwikkeling van de samengevoegde financiële instrumenten. (bijv. combinatie van aandelen, obligaties en opties).

3. Risico’s en opbrengsten

De opbrengst van obligaties wordt bepaald door de volgende elementen:

  • De coupons die gedurende de looptijd worden uitbetaald.
  • De prijs waarop u de obligatie koopt. Deze ligt vaak hoger of lager dan de nominale waarde, zowel gedurende de looptijd als bij uitgifte (bijv. uitgifte onder of boven nominale waarde).
  • De prijs waarop u de obligatie gedurende de looptijd verkoopt of het bedrag dat u op de eindvervaldag van de uitgever ontvangt (bijv. terugbetaling boven, onder of aan nominale waarde).

De belangrijkste risico’s waaraan de houder van een obligatie is blootgesteld zijn:

  • Kredietrisico: indien de uitgever van een obligatie failliet gaat of in betalingsmoeilijkheden verkeert, ontvangt de houder mogelijk niet (tijdig) alle coupons of wordt hij op de eindvervaldag niet (volledig) terugbetaald.
  • Marktrisico – renterisico: De prijs waaraan obligaties tijdens de looptijd verhandeld worden schommelt voortdurend onder invloed van de algemene economische context en de evolutie van de marktrente in het bijzonder.
  • Liquiditeitsrisico: De liquiditeit van een obligatie wordt bepaald door het verhandelde volume ervan. Een hoge liquiditeit vergroot de kans dat het obligatie snel en tegen marktwaarde kan verkocht worden. Naarmate de liquiditeit afneemt, geldt doorgaans het omgekeerde.